Het schoolleven van een kind van 7 jaar

Een kind van 7 jaar vindt het leuk om naar school te gaan. Hij ziet in de leerkracht een vervanging van de ouders, iemand die waarden toekent en meewerkt aan de ontwikkeling van zijn eigenwaarde. Op deze leeftijd is de invloed van de leerkracht groot. De leerkracht speelt een grote rol bij het wennen van het kind aan de school. Wanneer het kind over voldoende redeneringvermogen beschikt, opent de school de deur om hem de eerste beginselen van de geschreven taal bij te brengen, daarna om te analyseren en nog later om abstract te redeneren.
Dit opgroeiende kind, dat nu in groep 3 zit, voelt snel de onderdrukking die deze nieuwe fase voor hem met zicht meebrengt. Hij komt vaak in opstand tegen deze onderdrukking door de heimwee naar zijn peuter- en kleutertijd. Deze nieuwe manier van werken, met de bijbehorende inspanningen en onverschilligheid, wordt normaal en leidt hem naar de wereld van de volwassenen.
Het is een kind dat zich tijdens zijn schoolleven bewust wordt van de relativiteit van dingen, dat kan denken dat hij een denkvermogen heeft als dat van een meerderjarige en dat zijn oude droom is uitgekomen om net zo sterk te zijn als papa of mama. Helaas echter is het kind onverantwoordelijk en onbewust ten opzichte van zijn schoolprestaties.
Het is een kind dat het leuk vindt om zijn paperassen in de lessenaar te verzamelen in plaats van deze mee naar huis te nemen. Als hij ze in een map bewaart, wil hij deze op bepaalde momenten misschien mee naar huis nemen. De map zal hij dan weer thuis laten liggen, tenzij de moeder hem helpt herinneren of hem de map in de hand geeft wanneer hij naar school gaat. Er is een neiging om spullen op school te laten liggen, tenzij de juffrouw hem helpt herinneren. Zijn of haar dagen beginnen luidruchtig en hij is geďnteresseerd in het dagprogramma. Terwijl hij werkt, is hij rustiger en stiller dan met zes jaar. Hij praat meer tegen zichzelf. Hij zinspeelt op het werk van zijn buurman of eist ongeduldig de hulp van de juffrouw, vaak door direct naar haar toe te gaan. Hij schrijft dikwijls met zijn hoofd rustend op zijn onderarm en neemt deze houding ook aan wanneer er in de klas iets wordt uitgelegd.
Een kind van zeven herkent bij het lezen bekende woorden nauwkeurig en snel. Het beoordelen van de leesstof gaat automatischer: hij leest zonder aan het eind van een zin of alinea te stoppen, hoewel hij de neiging heeft zinnen soms te herhalen.
Het kind wil weten tot waar hij moet lezen en hoeveel pagina’s een boek heeft. Als hij een verhaal niet uit heeft, wil hij waarschijnlijk weer bij het begin beginnen.
Naarmate het lezen automatischer gaat, zal hij zich minder zorgen maken over de betekenis. In zeker opzicht is hij echter kritisch als het gaat om zijn leesmateriaal en kan hij weigeren om bepaalde verhalen opnieuw te lezen. Sommige kinderen van zeven jaar kunnen verstokte lezers worden, met een speciale voorliefde voor stripverhalen. Hij houdt van mondeling rekenen en van kaarten met getallencombinaties. Hij schrijft nog één of twee getallen in spiegelbeeld (gewoonlijk 2, 6, 7 of 9). Hij vindt het heerlijk om verschillende cijfers heel vaak te schrijven. Hij houdt ervan hiermee op een hele pagina door te gaan. Misschien verwart het hem om van optellen over te gaan op aftrekken.
Potloden en gummen vormen bijna een passie. Het is een kind dat schrijft om uit te gummen. Hij prutst met het potlood, hij pakt het met zijn vingers, laat het vallen en hij timmert met de punt op de tafel of een ander voorwerp. Hij schrijft nog enkele letters en cijfers in spiegelbeeld, maar gewoonlijk heeft hij dit in de gaten en gumt het liever uit. Hij grijpt het potlood stevig vast en drukt met de wijsvinger tegen de punt, hoewel hij gewoonlijk minder hard drukt dan toen hij zes was. Enkele kinderen vragen of ze zelf mogen “schrijven” in plaats van blokletters na te schrijven.
In de pauzeperioden is het een kind dat een hele kenmerkende, enthousiaste overgang maakt van het klaslokaal naar het schoolplein. Hier kan hij actief of minder actief zijn. Ruzies met klasgenoten doen zich zelfs voor als de juffrouw dichtbij is. Een kind kan gedurende de hele pauze de schommel willen gebruiken of het alleenrecht eisen op een bal of springtouw. Wanneer verschillende kinderen samen een spel proberen te doen, raken ze opgewonden, worden druk en eindigen met individuele ruzies.

Een kind van zeven heeft een gevarieerde groep leeftijdsgenoten nodig voor spelletjes in de buitenlucht. De supervisie van een volwassene is hierbij van fundamenteel belang. In de loop van het jaar beginnen enkelen zich te interesseren in groepsspellen die op touw zijn gezet door de juffrouw, terwijl ze daarbij de vrijheid hebben om zich bij de groep aan te sluiten dan wel deze te verlaten.